
De dramatische instorting van de toren bij de 12e eeuwse voorganger van deze kerk had ingrijpende gevolgen. Een geluk bij een ongeluk was dat de oude tufstenen duur verkocht konden worden. Uit die opbrengsten werd deze kerk gefinancierd.

Een schitterend gezicht, zoals deze windmolen met zijn machtige vlucht van 11 meter boven het polderlandschap uittorent. Je kunt je goed voorstellen dat hij in zijn oorspronkelijke functie heel wat polderwater op de Friese boezem heeft geloosd. Toen stond de molen – van 1926 tot 1995 – nabij het Grietmansrak aan de Kromme Ee op de polderdijk van het voormalige waterschap ‘De Hooge Warren’.

Na de eerste twee sociale woningbouwprojecten in de gemeente – Houtigehage (1909, ook Rijksmonument) en Drachten (1912) – kwam er pas in 1922 een vervolg. Dat is dit fraaie complex van de Woningstichting Beter Wonen die in 1920 op initiatief van de plaatselijke SDAP-afdeling was opgericht. In het eerder genoemde ‘uitbreidingsplan voor Dragten’ was al ruimte gereserveerd voor de 65 woningen, verdeeld over zeven blokken rond het middenplantsoen en een achtste blok aan de Houtlaan.


Van de ongeveer vijftig middeleeuwse Friese kloosters is helaas, vooral als gevolg van de Reformatie, na 1580 weinig bewaard gebleven. Het zou ironie van de geschiedenis genoemd kunnen worden dat er in een destijds ‘klooster-arm’ gebied nu een prachtig, jong klooster te bewonderen is.

1648: door velen zal dit jaartal geassocieerd worden met de Vrede van Münster. Het is echter volgens het ûleboerd ook het bouwjaar van deze boerderij. Een gebeurtenis van een heel andere orde natuurlijk, maar het geeft wel een gevoel bij de hoge ouderdom van deze kop-rompboerderij met zij-langsdeel.

Deze boerderij dateert van 1903, de schuur is waarschijnlijk in 1904 gerealiseerd. Deze keuterboerderij van het krimptype – of wel woudboerderijtje – is sober en traditioneel gebouwd. Aan deze voor de regio karakteristieke stijl en materiaalbenutting ontleent het, in combinatie met de betrekkelijke zeldzaamheid, zijn historische waarde.

De naamgever van dit pand – de arts Hendrik Willem Bleeker – was met recht een bijzonder mens. Van 1904 tot 1944 oefende hij zijn praktijk uit en nog altijd zijn er verhalen over hem in omloop. Hij was niet alleen arts, maar ook drankbestrijder, leraar aan de Rijkskweekschool en mede-oprichter en docent van de Volksuniversiteit: een kleurrijk figuur.

Oorspronkelijk stond deze villa in een forse tuin met een grote vijver, waarin waterlelies groeiden en zwanen en eenden rondzwommen. Helaas is de tuin grotendeels verdwenen, waardoor dit opmerkelijke pand niet goed meer uit de verf komt.

Wellicht associëren meer mensen dit prachtige pand met het Witte Huis (1800) in Washington. Ook al is de State van veel kleinere omvang, het heeft wel eenzelfde soort allure van macht en gezag. Dat klopt ook wel, want Haersma State werd in 1843 als buitenplaats gebouwd voor de grietman van Smallingerland, Manger Cats.

De Rijkslandbouwwinterschool – RLWS – uit 1922 is het ‘jongste’ rijksmonument in de gemeente. Niet qua leeftijd, want zo jong is het gebouw dus niet. Maar het is pas in oktober 2007 na jarenlange strijd door OCW ‘bevorderd’ van gemeentelijk tot rijksmonument.

In 1916 kwam de toestemming om in Drachten een ‘Rijks Hoogere Burgerschool’ te bouwen. Dat was mooi, maar er was een probleem, namelijk: waar? Een geschikte locatie was niet voorhanden. De oplossing werd gevonden in het ontwikkelen van een gedurfd ‘uitbreidingsplan voor Dragten’ (plan Stapensea), zowel voor de noordoost- als de noordwesthoek.

Rond 1790 zag de religieuze wereld er heel anders uit dan nu. Na 1648 vormde het Calvinisme de basis voor de staatsgodsdienst. In de republiek die het toenmalige ‘Nederland’ was, vormde dat een probleem voor de doopsgezinden.

Locatiekeuze is meestal niet eenvoudig. Dat ondervonden de kerkvoogdijen van Noorder- en Zuider-Dragten ook toen ze in 1743 moesten beslissen waar de vervanger van de twee oude kerken moest komen. Aan de in 1641 gegraven Drachtster Compagnonsvaart, zoveel was duidelijk.

Beter een half ei… Dit gezegde past goed bij dit monument uit 1902. Dat de tabaksfabriek er überhaupt nog staat is winst. Helaas verdienen echter noch de inpassing in de nieuwe belendende bebouwing, noch de aantasting van enkele karakteristieke ontwerpdetails de schoonheidsprijs.

Onder de 48 rijksmonumenten van onze gemeente zijn er maar liefst 15 boerderijen, veruit de grootste groep. Dat is natuurlijk in een streek als deze niet zo verwonderlijk. Van oudsher heeft de landbouw en – vooral – de veeteelt hier een dominant stempel op economie, cultuur en landschap gedrukt.

Het is even fietsen (en weer terug) vanaf De Veenhoop, maar dan zie je ook wat: drie prachtige spinnenkoppen. De precieze ouderdom is niet bekend, maar ze komen al voor op een kaart uit 1848. De spinnenkop is een klein soort wipwatermolen.
Lees meer: Goëngahuizen Bij Peansterdyk 10 - De Jansmolen of Modden

Vanaf De Veenhoop komend is dit de tweede molen, met de naam De Modderige Bol. De eerste heet De Jansmolen of Modden. Ze staan beide bij camping De Polle. Het drieluik wordt afgesloten met de molen Heechhiem (volgende foto). Die staat bij de volgende, gelijknamige boerderij.

De molen bij de boerderij It Heechhiem draagt dezelfde naam. Voor algemene informatie wordt verwezen naar de tekst bij de Jansmolen, twee foto's terug.

Wie het themapark De Spitkeet in Harkema bezocht heeft, kan zich goed indenken dat het een enorme vooruitgang was als de plaggenhut of spitkeet verruild kon worden voor een woning als dit monument.

Dit prachtige kerkje straalt uit wat misschien wel de essentie van religie is: geborgenheid bieden. Zo staat het er al eeuwenlang, zonder toren en ander uiterlijk vertoon. Het bouwjaar is niet bekend, maar vanwege de gotische bouwstijl moet dit rond 1300 liggen. In het metselwerk worden de spitse ramen fraai afgewisseld door gelede spaarvelden.

Weggekropen tussen de bomen, zo ligt dit boerderijtje hier al heel wat jaren. Dat doen in ieder geval het enigszins golvende rieten dak en de kleine ruitjes vermoeden. Aan de oostkant zit zelfs een raam met twintig kleine ruitjes. In de loop der tijd is er heel wat aan de muren gesleuteld: scheuren zijn gedicht, verspringingen, onregelmatigheden en stukken rollaag zijn her en der zichtbaar.

Net als van de andere twee monumenten in Kortehemmen kennen we van deze boerderij niet het bouwjaar: 19e eeuws, verder komen we niet. Het laat onverlet dat het een prachtig pand is, waarvan niet alleen de buitenkant, maar ook het interieur bijzonder gaaf gebleven is.

Tussen Friesland en Groningen boterde het niet altijd even goed, maar deze boerderij is een positief voorbeeld van Groninger invloed (al werd dit type waarschijnlijk vanuit Ostfriesland in het Oldambt geïntroduceerd...).
Deze fraaie boerderij uit 1937 is namelijk een variant van het Oldambtster type.

Wat is dit: een kei van een monument of een monument van een kei? Beide? We kennen in Nederland meer monumentale keien: Drachten, Amersfoort, Ugchelen, bijvoorbeeld. Maar de ‘Blauwe Steen’ is een rijksmonument. Er zit dus een verhaal aan vast.

Waarschijnlijk is deze kerk deels op een ‘heidense’ offerplaats gefundeerd. De grote gletsjerstenen onder de noord- en zuidmuren duiden daarop. In de 13e eeuw stond hier vermoedelijk al een eenvoudige zaalkerk zonder toren. Van die kerk vinden we een paar eeuwen en vele verbouwingen later niets meer terug.

Wie deze kerk uit 1908 voor het eerst ziet, zal hierin niet direct een Nederlandse Hervormde kerk herkennen. Dat is niet verwonderlijk, omdat een rooms-katholieke architect voor het ontwerp tekende.
Het Griekse kruis vormt het uitgangspunt voor het grondplan. De ‘armen’ hebben een driehoekige beëindiging met drie rondboogvensters die gekleurde glas-in-lood ramen omvatten.

Een prachtig en uniek ensemble, deze boerderij die uit een villa met losstaande veestal bestaat. En dan te bedenken dat we dit aan een brand te danken hebben die zijn voorganger in de as legde.
De villa is in 1928 gebouwd in de trant van de Amsterdamse School. De onderste bouwlaag wordt bekroond door een steil, overstekend wolfsdak met een verdieping; de wolfseinden staan nagenoeg verticaal.

Het ziet er zo eenvoudig uit en toch heeft deze boerderij – wellicht juist daardoor – een hoge esthetische kwaliteit. Ook de verzorgde details dragen daaraan bij, zoals de, onder een hanenkam, getoogde bovenkanten van alle vensters, de uitgemetselde rollagen van de puntgevel en het bijzondere ‘ûleboerd’ aan de voorzijde van het schuurgedeelte met zijn ruitvormige roedenindeling.

Gedurende zes eeuwen heeft hier een Romaans kerkje gestaan, gebouwd rond 1300. Het aan Sint Salvator gewijde godshuis heeft helaas de tand des tijds niet kunnen doorstaan. In de 19e eeuw raakte de Salvatorkerk zodanig in verval, dat uiteindelijk in 1908 sloop volgde.

Eigenlijk moet de benaming ‘werkwinkelwoonhuis’ zijn, want dit pand uit 1930 is drie-in-één: woning, winkel, werkplaats (van oost naar west). Het woongedeelte van dit gebouw, zakelijk-expressionistisch vormgegeven, heeft twee bouwlagen; de winkel/werkplaats één.

Voor de verandering beginnen we met een levend monument: de linde naast het huis uit 1668 . De boom is waarschijnlijk al in datzelfde jaar geplant. In de loop der tijd is hij uitgegroeid tot de oudste en grootste linde van Friesland (de stamomtrek op 1,30 m hoogte is 5,25 m, de hoogte 27 m).

Luitenant Boelardus van Boelens erfde van zijn schoonvader deze boerderij uit 1805. Volgens de overlevering ervoer hij echter de huwelijkse banden als knellend. Hij zocht en vond op deze ‘stelphuizinge’, die met haar singels een kleine ‘burcht’ leek, iedere week gedurende enkele dagen de vrijheid.

Meer dan negen (!) eeuwen geschiedenis staat hier. Met zijn robuuste verschijning straalt de kerk dat ook uit, alsof hij er altijd al stond en zal blijven staan.
Omstreeks 1090 werd het oudste muurgedeelte, bijna een meter dik, opgetrokken uit tufsteen. Dit westelijk deel van het schip heeft een Romaanse bouwstijl: zowel de kleine hoge ramen als de spaarvelden en de frieslijsten hebben aan de bovenzijde de halfcirkelvormige afronding.

Eigenlijk is dit het tweede Rechthuis. Nauwkeuriger: eigenlijk is het een herberg waar de grietman en zijn bijzitters in een van de herberg gehuurd vertrek rechtspraken. Bij de herbouw in 1738 van de, net als het oude rechthuis, door brand verwoeste herberg tot herberg/rechthuis werd dit jaartal in een gevelsteen gebeiteld, samen met de initialen E.M. en F.W. van de eigenaren: Ebeltje Meinders – die de herberg geërfd had – en Foocke Wytses.

Dit pand heeft een lang en bewogen leven achter zich. Hoe lang? Vermoedelijk is het in 1792 gebouwd: een restant van een muuranker geeft dat aan. En hoe bewogen? Het huis is als boerderijtje gebouwd, in een ambachtelijk-traditionele stijl. Maar de agrarische bestemming verloor het al vroeg in de 19e eeuw. Daarna was het geruime tijd een wagenmakerij. Iets geheel anders volgde: een kapperszaak en nog weer later: een kruidenierswinkel. Sinds 1985 is het als woonhuis in gebruik.

Achter de Jugendstil-voorgevel van deze voormalige pastorie ‘Kerckebosch’ gaan eigenlijk twee andere, oudere pastorieën schuil. Van de alleroudste weten we niet wanneer die gebouwd is, wel dat deze in 1743 ingrijpend gerenoveerd is. Waarschijnlijk is toen alleen het achterste gedeelte blijven staan en is de voorste helft vervangen door nieuwbouw. Het nieuwe front kreeg een voor die tijd kenmerkende klokgevel, met een halfronde barokversierde bekroning.

Deze boerderij heeft een geheel gave erfsituatie. Dat tref je nog maar zelden aan. Waarschijnlijk is dat (mee) de reden dat niet alleen de boerderij zelf, maar ook de bijschuur en het stookhok tot het rijksmonument behoren.
De boerderij is in 1856 gebouwd op een natuurlijk zandruggetje, net iets hoger dan de omliggende huizen.

Vermoedelijk passeren veel mensen deze voormalige boerderij zonder in de gaten te hebben dat het een rijksmonument is. Het ziet er inderdaad eenvoudig uit, maar om een aantal redenen is het pand toch van bijzonder belang. Om te beginnen het bouwjaar: in ieder geval ligt dat vóór 1792.

De ‘Heeren Gedeputeerde Staaten’ hadden er weinig fiducie in toen de Rottevalsters rond 1720 zelf een kerk wilden bouwen. ‘Het zijn mensen die met de handen de kost verdienen en dus onvermogend zijn, zodat zij niet in staat zijn dit grote werk tot een goed einde te brengen’. Dat viel mee, want via collectes in heel Friesland en zelfs in Amsterdam kwam de bouwsom op tafel!

Een voorname uitstraling, zo zullen de kerkvoogden indertijd verordonneerd hebben, moest de nieuwe pastorie krijgen. Dat is uitstekend gelukt, want ook nu nog is het pand direct herkenbaar als een voor notabelen bestemd woonhuis.

In danstermen gesproken: deze twee gebouwen uit 1937 lijken wel een pas de deux uit te voeren. Het grote bouwvolume van de kerk heeft zich als het ware iets teruggetrokken voor de balans met de pastorie. Samen vormen ze een prachtig, harmonisch geheel, onderstreept door de ‘rand van het toneel’: de tuinmuur.

In het buurtschap Witveen ligt de oorsprong van de Doopsgezinde gemeente Rottevalle-Witveen. In het begin van de 17e eeuw vestigden zich hier Doopsgezinden, die in 1671 een ‘vermaninghuis’ bouwden op de ‘Fermanjepôle’. Toen Rottevalle groeide, kwam daar in 1769 een ‘hulpkerk’. Beide vermaninghuizen werden echter bouwvallig. Besloten werd om in Rottevalle één nieuwe vermaning te bouwen. Deze werd in 1838 voltooid.

Op het eerste gezicht valt het niet direct op dat dit monument van oorsprong een boerderij is. Toch was het dat en wel een dwarshuisboerderij, voor gemengd bedrijf. Het pand is in een ambachtelijk-traditionele stijl ergens tussen 1800 en 1825 gebouwd. Toen in 1968 de agrarische functie wegviel, is de oorspronkelijk met het woonhuis verbonden schuur gesloopt en vervangen door een kleinere berging.

Helaas (?) wordt er in Rottevalle geen bier meer gebrouwen. In vroegere tijden wel: de Brouwersgrêft ontleent er zijn naam aan. Ook dit graanpakhuis uit 1823 had er mee van doen: hier werd de gerst voor het brouwproces opgeslagen. De aanvoer ging per boot over de Lits, die toentertijd pal voor het pakhuis langs stroomde.

Romantisch, knus: dat zijn indrukken die dit keuterboerderijtje vandaag de dag oproept. Maar toen het gebouwd werd, omstreeks 1800, lag dat wel anders. Het was hard werken om het hoofd boven water te houden, terwijl er voor het, meestal grote, gezin weinig leefruimte overbleef.

Al ruim twee eeuwen kan de hongerige en dorstige reiziger in deze markante herberg terecht, want waarschijnlijk dateert het robuuste, sobere gebouw van 1791. Maar misschien is het wel ouder, omdat bekend is dat in 1734 hier al een pand stond waarvoor pachtgeld verschuldigd was. De herberg heeft een breed voorhuis en stond bij een ophaalbrug aan de (nu gedempte) Lits.